19-3-2009 - Smaakmakend voorjaar
4-6-2010
Enkele weken geleden sprak Machteld Huber van het Louis Bolk Instituut op een bijeenkomst over de kernkwaliteit van biologische landbouw en voeding. Er zijn mensen die vinden dat biologische landbouw wat minder streng moet worden en zich puur moet richten op milieuvriendelijkheid, met name op de CO2 reductie. Gezondheid, zeggen zij, is niet te bewijzen en dus mag je best een beetje spuiten, een beetje genetisch manipuleren of kunstmest gebruiken en laat je vooral je dieren binnen zodat je de CO2 kunt afvangen. Machteld Huber gruwelt van deze denkrichting. Zij stelt dat het de gangbare denkwijze is om in termen van stofjes te redeneren. De toekomstoriëntaties op voedselwinning gaan over zo efficiënt mogelijk nutriënten produceren en daarbij zo min mogelijk schadelijke stoffen uit te stoten. Men praat graag over “gesloten systemen” en dat zijn dan bijvoorbeeld steriele klimaatkamers waar planten volledig kunstmatig gevoed wordt, varkensflats waar dieren het daglicht niet meer zien en dergelijke. Deze letterlijk gesloten systemen zijn gebaseerd op het controle model: een gespannen situatie waarin men alle factoren in de hand wil houden. Iedere verstoring van de balans leidt tot het inzetten van nieuwe controlemaatregelen, zoals kunstmest, bestrijdingsmiddelen, gentech en antibiotica. Veertig jaar bio-industrie heeft al ruimschoots bewezen dat dit een doodlopende weg is: het kunstmestverbruik ligt wereldwijd twee keer hoger dan de aarde kan verwerken en leidt tot bodemverarming en watervervuiling. Het preventief gebruik van antibiotica leidt tot resistenties en teveel dieren op elkaar leidt onafwendbaar tot grootschalige uitbraken van dierziekten. Bestrijdingsmiddelen zijn schadelijk voor het milieu en over de effecten van gentech is nog veel te weinig bekend.
Biologische landbouw en voeding daarentegen streeft een goede, natuurlijke eigen weerstand na van planten, dieren, het bedrijf en mensen via het zogenaamde adaptatiemodel. Kernelementen hiervan zijn: systeembenadering (alles hangt met elkaar samen), benutten van variatie (ruime teeltplannen en diversiteit aan soorten), het stimuleren van zelfregulatie (weerstand van plant en dier versterken), indirect sturen (grasklavers voor stikstoftoevoer i.p.v. kunstmest) en een dynamisch evenwicht. Het gaat in de kern om het benutten van het zelfherstellend en zelfregulerend vermogen van bodem, planten, dieren en mensen. De biologische benadering zet dus de gezondheid centraal: niet op een directe manier van stofje a voor kwaal b, maar indirect op het verbeteren van weerstandsverbetering en natuurlijk evenwicht. Onderzoeken waar Machteld Huber actief bij betrokken is, tonen deze kwaliteit van biologische voeding ook aan. Kuikens die biologisch gevoed zijn, vertonen een beter herstellend vermogen dan kuikens die gangbaar voer krijgen. Kinderen die biologisch gevoed worden hebben minder snel last van allergieën dan kinderen die reguliere voeding krijgen. En naast gezondheid levert biologisch ook nog eens dierenwelzijn, een mooi en gezond landschap, een gezonde omgeving, arbeidsvreugde voor de producent en betrokken consumenten. Zeven voor de prijs van één!
